Suikerziekte

Suikerziekte

Na een voedzame maaltijd wordt glucose (‘suiker’) opgenomen door de darmen en verspreid door het lichaam. Glucose is een onmisbare brandstof voor het lichaam; cellen nemen dit op uit het bloed als ze energie nodig hebben. Sommige lichaamscellen (spier- en vetcellen) kunnen dit echter alleen als ze hiervoor worden aangezet door het hormoon insuline. Insuline wordt gemaakt door speciale cellen (bètacellen) in de pancreas (alvleesklier).

Suikerziekte is een aandoening die veel bij (oudere) katten voorkomt. Het betekent dat er teveel glucose in het bloed aanwezig is. Er bestaan verschillende types, net als bij mensen:

Type 1: de alvleesklier maakt geen of te weinig insuline, waardoor een absoluut tekort aan insuline ontstaat. Deze vorm wordt sporadisch bij kittens gezien.

Type 2: de lichaamscellen reageren minder goed op insuline, waardoor een relatief tekort aan insuline ontstaat. Later gaat dit over in een absoluut tekort aan insuline, als de alvleesklier uitgeput raakt. Deze vorm komt het meest voor bij volwassen en oudere katten.

Type 3: deze vorm wordt veroorzaakt door medicijnen of door andere aandoeningen.

Type 2 suikerziekte komt het meest voor bij katten en is vergelijkbaar met ouderdomssuikerziekte bij mensen. Overgewicht en een gebrek aan beweging zijn risicofactoren; de behandeling van deze vorm van suikerziekte bestaat dus met name uit het activeren van de kat en gecontroleerd gewichtsverlies. Deze vorm van suikerziekte kan weer verdwijnen. Daarna komt type 3 suikerziekte het meest voor. De medicijnen die dit kunnen veroorzaken zijn met name bepaalde ontstekingsremmers, die vaak worden ingezet bij allergie (prednison, dexamethason), maar ook de poezenpil geeft een verhoogd risico op suikerziekte. In een enkel geval wordt suikerziekte veroorzaakt door de ziekte van Cushing.

Verschijnselen

Veel drinken en veel plassen. De drinkbak moet vaker worden ververst of u ziet de kat continu drinken uit de vijver of het drinkbakje, soms zelfs uit de wc!

Toegenomen eetlust (in eerste instantie). Uw kat eet goed of meer dan anders. Sommige katten blijven bedelen of gaan zelfs schreeuwen om eten.

Vermageren. Ondanks de goede eetlust wordt de kat steeds magerder.

Algehele malaise (later stadium). Uw kat wordt slomer en voelt zich ziek. De toegenomen eetlust kan veranderen in een afgenomen eetlust.

Braken. Uw kat gaat braken; soms zitten er wat haren in, maar vaker is het alleen wat voer of vocht.

Sommige katten laten minder duidelijke verschijnselen zien. Als u één van de verschijnselen opmerkt of u twijfelt, maak dan gerust een afspraak ter controle. Aangezien suikerziekte vooral bij katten boven de 8 jaar voorkomt, is het raadzaam om preventief het bloedsuikergehalte te laten onderzoeken.

Diagnose

Aan de hand van de ziekteverschijnselen en het lichamelijk onderzoek kan een vermoedelijke diagnose worden gesteld. Urineonderzoek kan het vermoeden versterken, maar alleen met bloedonderzoek kan de diagnose worden bevestigd. Dit urine- en bloedonderzoek vindt in onze kliniek plaats. Het is belangrijk dat de diagnose zo snel mogelijk wordt gesteld. Wanneer suikerziekte niet wordt behandeld kunnen complicaties ontstaan, zoals cataract (grauwe staar, een vertroebeling van de ooglens). Uiteindelijk zal een kat met suikerziekte, die niet wordt behandeld, overlijden aan uitdroging en algehele verzwakking.

Behandeling

Omdat er een tekort bestaat aan insuline moet dit met injecties onder de huid worden aangevuld , met Caninsulin ®. Dit moet tweemaal per dag op vaste tijstippen plaatsvinden, omdat het bij de kat maximaal 12 uur effect heeft. Caninsulin ® moet rechtop in de koelkast worden bewaard. Voor gebruik moet u het flesje enkele malen zwenken, nooit schudden. De dierenarts zal alle stappen van het injecteren met u doornemen; het lijkt eng, maar in de praktijk valt het erg mee.

De juiste dosering Caninsulin ® verschilt per kat. Daarom moet elke kat worden ingesteld. Op basis van het bloedsuikergehalte en het gewicht van de kat wordt een startdosering bepaald. Tijdens een controle wordt bepaald of deze dosering moet worden aangepast . Dit gebeurt aan de hand van het bloedsuikergehalte; 1 druppel bloed is hiervoor voldoende. Deze controle moet 4 uur nadat de insuline is gegeven plaatsvinden. Eventueel kan u worden aangeleerd om dit zelf te doen, waarna vervolgens telefonisch de dosering kan worden aangepast. In het begin zullen deze controles tweemaal per week moeten plaatsvinden. Wanneer het bloedsuikergehalte stabiel is kunnen deze controles steeds verder worden uitgesteld, naar uiteindelijk één keer per maand. U merkt deze stabilisatie vaak al aan de kat zelf: hij zal minder gaan drinken en plassen en de kat zal weer levendiger worden.

Voeding speelt een belangrijke rol in de behandeling. Allereerst moet een kat gegeten hebben voordat hij Caninsulin ® mag krijgen. Dit houdt in dat u uw kat een half uur ná de maaltijd pas Caninsulin ® mag toedienen. Uw kat moet tweemaal per dag een vaste portie voer krijgen. Er is dieetvoer verkrijgbaar voor katten met suikerziekte; deze vezelrijke voeding is koolhydraatarm en eiwitrijk. Dit kan helpen om de kat te laten afvallen en om de dosering Caninsulin ® te verminderen.

De hoeveelheid lichaamsbeweging speelt ook een rol in de behandeling. Het helpt de kat om af te vallen en is dus onderdeel van de therapie. Maar ook is het belangrijk om te weten dat beweging vraagt om extra brandstof. Dit beïnvloedt dus ook de hoeveelheid Caninsulin ® die de kat nodig heeft. Wanneer een kat dus plotseling meer beweegt kan het bloedsuikergehalte zoveel dalen dat er een tekort aan glucose ontstaat (‘hypo’). Verderop staat beschreven hoe u dit herkent en wat u dan moet doen.

Vooruitzichten

Over het algemeen kunnen katten met een regelmatig leefpatroon en met een juiste behandeling met Caninsulin ® een vrijwel normaal leven leiden. Het heeft dan ook bijna geen invloed op de levensverwachting van uw kat. Regelmatige controles blijven echter belangrijk. Sommige katten kunnen herstellen van suikerziekte. De bètacellen in de alvleesklier kunnen zich herstellen zodat het eigen lichaam weer insuline kan aanmaken.

Te laag bloedsuikergehalte (‘hypo’)

Dit is de belangrijkste complicatie van de behandeling van suikerziekte. Het grootste risico is dat de hersenen te weinig glucose krijgen. Omdat glucose de enige brandstof is voor de hersenen is dit een levensbedreigende situatie! Het komt niet vaak voor, maar het is belangrijk dat u de verschijnselen herkent en dat u weet hoe u moet handelen. Een te laag bloedsuikergehalte kan op elk moment van de dag voorkomen, maar wordt met name 2 tot 4 uur na het geven van Caninsulin ® gezien.

De oorzaken zijn divers:

Minder voedselopname in combinatie met de gebruikelijke insulinedosering.

Verhoogd verbruik van glucose door een plotseling toename van de activiteit.

Een te hoge dosering insuline.

Een normale dosering insuline bij een afgenomen behoefte, bijvoorbeeld bij een herstellende alvleesklier.

De verschijnselen zijn:

Hij krijgt honger op een onverwacht moment.

De kat wordt onrustig of juist sloom.

Hij gaat trillen of vreemde bewegingen maken, als omvallen of trappelen met de poten.

Uiteindelijk zal uw kat in diepe slaap vallen, waaruit hij moeilijk of niet meer wakker te maken is.

Allereerst moet ervoor worden gezorgd dat het bloedsuikergehalte zo snel mogelijk weer gaat stijgen. Zodra u de eerste verschijnselen merkt moet uw kat een maaltijd krijgen. Als hij echter niet meer in staat is om zelf te eten, moet u druivensuiker of een oplossing hiervan geven. Dit kunt u voorzichtig in de bek geven: het poeder kunt u op en onder de tong wrijven, de oplossing kunt u via de mondhoek in de wangzak gieten. De dosering is ongeveer 1 gram druivensuiker per kilogram lichaamsgewicht. Uw kat moet direct opknappen! Als dit niet gebeurt moet u contact opnemen met de (dienstdoende) dierenarts, dit is altijd een spoedgeval.

Als uw kat is opgeknapt moet u hem een maaltijd geven en daarna enkele uren goed in de gaten houden. Elke 2 uur, tot 12 uur na de laatste insuline-injectie, moet u hem een maaltijd geven. Voordat u de volgende injectie geeft moet u contact opnemen met de dierenarts, om te overleggen hoeveel Caninsulin ® er moet worden toegediend. Verander nooit zelf de dosering Caninsulin ®.

terug